Op 2 december
2002 overleed onze pup Mees, nog geen vijf maanden oud, aan de gevolgen van
een besmetting met Babesiosis. Afgezien van de vraag of zij deze besmetting
überhaupt had kunnen overleven, bleek tijdens het ziekteproces dat de diagnose
pas in een heel laat stadium gesteld werd: het gevolg van de heersende mening
dat een hond in het buitenland (het zuiden) geweest moet zijn om met de verantwoordelijke
teek in aanraking te komen.
Mijn ervaring
met deze ziekte en de relatieve onbekendheid met de ziekte heeft mij doen besluiten
nader onderzoek te doen naar Babesiosis (de ziekte) en Babesia Canis (de verantwoordelijke
parasiet).
Ik hoop hiermee
dat hondenbezitters en dierenartsen alerter worden op de mogelijke aanwezigheid
ervan in Nederland.
Dit artikel
is de weerslag van mijn onderzoek. Het bevat naast een verslag van het ziekteverloop
van Mees, de op dit moment bekende gegevens over de ziekte en veroorzaker en
een overzicht van de verschijnselen en mogelijke behandelvormen.
Ik heb voor
een vrij "technische" benadering gekozen omdat met name dierenartsen
hiermee beter uit de voeten kunnen.
Het ziekteverloop
bij Mees
In de laatste week
van november 2002 hadden we het idee dat Mees wat magerder werd. Ze was wel erg
fit, eigenlijk zoals altijd. Wij gingen er daarom vanuit dat we in verband met
de groei haar voeding moesten bijstellen. Enige aanleiding tot ziekte of symptomen
waren er verder niet.
Op vrijdag 29 in het begin van de middag merk ik dat ze wat
suf ligt te kijken; haar rechterbovenkaak blijkt gezwollen te zijn, het lijkt
op een ontsteking. Ze was aan het wisselen dus mijn gedachte was dat er een of
meerdere melkkiesjes aan het opspelen waren. Ik ben onmiddellijk naar de dierenarts
gegaan. Hij heeft Mees een Amoxilinekuur gegeven. ´s Avonds was ze erg sloom,
haar temperatuur was 40,5°. Volgens de dierenarts was dit een reactie op de
ontsteking.
Op zaterdag 30 november was haar temperatuur nog steeds 40,5°.
Ze was sloom en was passief; wel at ze nog graag. In de loop van de dag begon
de zwelling in de kaak te slinken. ´s Avonds zag de kaak er goed uit. Ze
was nog steeds erg sloom en weigerde nu te eten. Kennelijk was de zwelling een
ontsteking in de kaak, maar was er tegelijkertijd meer aan de hand.
Zondagochtend was de temperatuur nog steeds 40,5°. We besloten naar de dierenarts te gaan.
Vooraf heb ik plas opgevangen; de kleur van de plas was bruin-rood zoals betadine.
De
dierenarts heeft diverse onderzoeken gedaan maar kon geen goede diagnose stellen.
Wel
heeft ze gevraagd of wij in Zuid Europa waren geweest met Mees. Daar dit niet
het geval was heeft ze niet onderzocht op Babesia.
Wel vond ze het door het tekort
aan rode bloedlichaampjes noodzakelijk om te bekijken of een bloedtransfusie nodig
was. Zij verwees ons met urgentie door naar de Universiteitskliniek.
In de kliniek
hebben wij circa drie uur moeten wachten. Mees ging in die tijd snel achteruit.
Zij wilde in principe alleen nog maar in een hoekje onder de tafel liggen. Contact
met haar was moeilijk. Zij wilde haar hoofd niet meer omhoog bewegen. Een paar
keer is ze opgestaan en naar de drinkbak gelopen. De tweede keer dat zij dit deed
heeft zij alleen aan het water geroken en wezenloos staan kijken. Zelfs gaan liggen
kostte haar erg veel energie.
Op zondagavond is Mees uitgebreid onderzocht en heeft
zij een bloedtransfusie ondergaan. Deze sloeg niet aan. Enige oorzaak van de ziekte
kon niet worden gevonden. Ook hier werd de vraag gesteld of Mees in het buitenland
was geweest.
Ook ´s maandags was er geen enkele verbetering te constateren.
´s Middags werden wij gebeld dat men de oorzaak had gevonden. Uiteindelijk
had men toch maar eens op babesiosis onderzocht en ja hoor, dit was de diagnose.
Medicijnen werden toegediend, waarna vanwege het ernstige tekort aan bloedcellen
een tweede bloedtransfusie moest worden toegediend. De bloedtransfusie had echter
geen enkel reactie bij Mees. Uiteindelijk begaven haar longen het in de loop van
de avond.
Achteraf ben ik nog eens de voorgeschiedenis nagegaan en besefte dat
ik een week voor haar overlijden bij Mees een teek verwijderd heb, die zat bevestigd
in het weke gedeelte van een tepeltje op de borstkas.
De teek was gitzwart met
een groot schild en vrij lange poten.
Er
was bijna geen kop te zien. Ik had het idee dat de teek platter was dan normaal:
dit met als achtergrond dat het schild bij de teken die ik ken normaal gesproken
een lichte ronding vertoont.
Babesia
Canis (Pyroplasmose)
Canis
betekent hond. Babesia is de naam van de parasiet die zich gevestigd heeft in
een teek. Voor het overbrengen van Babesia Canis zijn twee soorten teken verantwoordelijk:
de Dermacentor Rituculatis en de Dermacentor Marginatus.
De laatste is nog niet in Nederland gevonden. Het natuurlijk verspreidingsgebied
van de Dermacentor Rituculatis strekt zich uit tot Zuid Engeland, Zuid België,
Midden Duitsland en misschien ook in Nederland. In 1999 zijn tot twee keer toe
Dermacentor Rituculatis teken aangetroffen op honden die niet in het buitenland
waren geweest maar in het natuurrecreatieterrein "de Piet" op Zuid
Beveland.
Uit onderzoek van Uilenberg e.a. uit 1985 blijkt dat bij twee honden uit Koog
aan de Zaan en bij drie honden op de Veluwe Babesiose is geconstateerd. Geen
enkele van deze honden was in het buitenland geweest.
De volwassen teken raken geÏnfecteerd doordat zij zich volzuigen met geÏnfecteerd
bloed. De parasieten gaan daarbij via het ovarium en het ei over op de volgende
generatie teken.
In de speekselklieren van de teken van de volgende generatie vindt de vorming
plaats die resulteert in infectueuze sporozoieten. Met het speeksel van de teek
worden deze op de volgende gastheer overgedragen.
De Babesia vestigt zich in de rode bloedcellen en vernietigt deze. De incubatietijd
is zeven tot veertien dagen.
Fig.
1: De levenscyclus van Babesia.
Klinische
afwijkingen
Als
de hond geÏnfecteerd is, zijn voor de eigenaar de volgende symptomen belangrijk:
Koorts: de normale temperatuur
bedraagt 38-39 graden, tot 39,5° noemt men verhoging en alles wat hoger
ligt, wordt aangemerkt als koorts.
Apathie: lusteloosheid.
Anorexie: gebrek aan eetlust.
Haemolytische anemie: bloedarmoede, zich uitend in bleke slijmvliezen
Haemoglubinurie: bloedplassen, donkere urine.
Voor dierenartsen zijn ook de volgende symptomen van belang:
Trombocytopenie: een verlaagd aantal bloedplaatjes.
Splenomegalie: vergroting van de milt.
Lymphadenopathie:: afwijkingen van de lymfeklieren..
>Acuut nierfalen: onvoldoende nierwerking.
Acute pancreatitus: ontstoken alvleesklier.
Pneumonie (eventueel): longontsteking.
Neurologische verschijnselen kunnen optreden, afhankelijk van het stadium waarin de hond zich bevindt.
Het onderzoek
De
dierenarts zal bloed afnemen. Dit kan het best gebeuren uit een perifeer capillair
gebied (oorpunt of nagelbed) omdat gebleken is dat men dan de meeste kans heeft
op het traceren van de Babesia.
Vervolgens
maakt men een uitstrijkje na kleuring met Giemsa of Diff-Quick. Het vervolgens
onder de microscoop duizendmaal uitvergroten levert het volgende beeld op:
Fig. 2: Babesia Canis in een bloeduitstrijkje
Behandeling
Als
Babesia is geconstateerd, zal men naar de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit
Utrecht moeten om het medicijn te krijgen voor de behandeling.
Het medicijn staat
niet geregistreerd in Nederland en mag daarom alleen op de faculteit toegepast
worden. Het
medicijn heet Imidocarb Diproprionaat. Men dient subcutaan 5 mg per kilogram gewicht
toe. Twee tot drie weken na de eerste behandeling wordt dit herhaald.
Tegelijkertijd
met Imidocarb zal een antibioticum (doxycycline) gegeven worden. Hiermee wordt
Ehrlichia bestreden, dat vaak samen met Babesia wordt overgedragen.
Een hond die
Babesia overleeft, blijft ten alle tijde drager van de Babesia parasiet. Zo kan
hij ook weer Dermacentor teken besmetten.
Bescherming
De
activiteitspieken van de verantwoordelijke teken liggen in het voor- en najaar.
Besmetting kan echter het hele jaar door plaatsvinden.
Bescherming
tegen Babesia kan gebeuren door vaccinatie met Pirodog (een vaccin van Merial).
Dit moet twee keer gebeuren met een interval van drie tot vier weken telkens 1
ml vanaf een leeftijd van vijf maanden. Indien de hond in een endemisch gebied
verblijft, krijgt hij ook nog een jaarlijkse booster.
Drachtige en lacterende teven mogen niet gevaccineerd worden.
De vaccinatie geeft een immuniteit die leidt tot een vermindering van de ernst
van de ziekteverschijnselen van Babesiose.
Verder zijn er bestrijdingsmiddelen te verkrijgen in de vorm van druppels en tekenbanden.
Het blijft dan de vraag of alle honden ook beschermd zijn tegen de door teken
overgedragen aandoeningen. Het is namelijk zo dat een teek een bepaalde tijd nodig
heeft om zich vast te hechten. Men weet dus niet hoelang een teek erover doet
om de infectie over te dragen.
De beste remedie is nog altijd de hond iedere dag na te kijken op teken en deze
er af te plukken voordat ze zich gehecht hebben. Gooi de teek dan niet weg maar
vernietig hem door te pletten of te verbranden. Zo kunnen ze niet meer in de cyclus
meedraaien.
Ook kun je bossen en weilanden mijden, maar ja dit zijn vaak de leukste plekken
voor eigenaar met hond.
Conclusie
Als
een hond aan Babesiosis lijdt, is het van het grootste belang dat snel de juiste
diagnose wordt gesteld omdat dat de levensredding van de hond kan zijn.
Er zijn twee redenen waarom de juiste diagnose vaak niet gesteld wordt:
1. De symptomen
gaan gepaard met andere verschijnselen of kwalen, waardoor zowel eigenaar als
dierenarts op het verkeerde been worden gezet. Dat is de reden dat ik het ziekteverloop
van Mees zeer uitvoerig heb beschreven.
2. Er wordt niet
onderzocht op Babesiosis vanwege de nog vrij algemeen heersende mening dat Babesia
Canis niet in Nederland voorkomt maar alleen uit het buitenland wordt meegebracht.
Het onderzoek naar de
aanwezigheid (verspreiding) van Babesia Canis in Europa is al vrij oud en zou
geactualiseerd moeten worden. Genoemde heersende mening zou mogelijk herzien moeten
worden.
De opsporing en bestrijding
van Babesiosis kan daar uiteraard niet op wachten. Dit artikel is daarom mede
een pleidooi om dierenartsen sneller de mogelijkheid van Babesiosis te laten onderkennen
en eigenaren hun dierenarts met meer nadruk aansporen hierop onderzoek te laten
doen.
Els Casteleijn, augustus 2003
Bronnen:
Diergeneeskundig Memorandum, jaargang 48, nr 1, april 2001 Uitgave: Stichting Diergeneeskundig Memorandum, Boxtel;